Zonnepanelen aansluiten met elektra en bedrading

Zonnepanelen hoofdzekering

Als u besluit om een zonnepanelen installatie aan te schaffen dan is het belangrijk om eerst vast te stellen wat voor hoofdaansluiting u heeft. Dit is na te vragen bij uw netleverancier. Is de hoofdaansluiting bijv 1 x 25 A dan kunt u alleen groepen aanleggen die 16A zijn afgezekerd. U kunt dus alleen een omvormer kiezen van 16A. Dit heet de selectiviteit: er moet twee ‘stappen’ tussen de hoofdzekering en de zonnepanelenzekering zitten. Voorbeeld: bij een 25 Ampere hoofdzekering  is de zekering van de groep waarop de zonnepanelen komen, max 16 Ampere.

Hieronder wordt een overzicht gegeven. Vraag bij ons na welke waarden moeten worden gehanteerd als uw hoofdzekering anders is dan de waarden in de tabel.

hoofdzekering

Maximum aan te leggen zekering

Maximum aansluitvermogen van de zekering

Totaal paneelvermogen (1 omvormer)

1 × 25A

16A

3680 W

1 × 35A

25A

5750 W

1 × 40A

25A

5750 W

3 × 25A

3 × 16A

3 × 3680 W

3 × 35A

3 × 25A

3 × 5750 W

3 × 40A

3 × 25A

3 × 5750 W

 

 

De kolom ‘totaal paneelvermogen’ is niet ingevuld omdat dit afhangt van het merk en type omvormer. Het kan zijn dat u bij een ‘maximum aan te leggen zekering’ van 16A, totaal 4000 wattpiek aan panelen kunt plaatsen als de omvormer is begrensd op 16 A.

Zonnepanelen aanleg nieuwe groep

Boven 700 W opgewekt vermogen, moet een zogeheten schone groep worden aangelegd, voorzien van aardlek. Een reeds aanwezige aardlek kan worden gebruikt als er nog geen 4 groepen zijn ondergebracht (d.i. tevens het maximum). Beter is een eigen aardlek zodat de omvormer niet kan worden beinvloed door sluitstroom van andere groepen die de aaardlek delen.

Bij het aanleggen van een nieuwe groep is het vermogen van de zonnepanelen installatie uitgangspunt voor het bepalen van

–          welke installatieautomaat (zekering) gebruikt moet worden,

–          hoe dik de bedrading moet zijn en

–          welke aardlek gebruikt moet worden.

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de eerste twee punten. De meeste  leveranciers van omvormers hebben ook een designtool waarmee u een systeem kunt samenstellen. Soms vindt u in deze tool ook een mogelijkheid om de draaddiktes van zowel AC als DC bekabeling te berekenen die moeten worden gebruikt voor een bepaalde installatie / omvormer. De afstand van de meterkast tot de omvormer speelt ook een rol.

Vwb de aardlek verschilt dit per fabrikant en type omvormer, daarom staat hier niets over in de tabel. Voor de kleinere systemen is dit standaard 30 mA maar voor de wat grotere, kan de fabrikant voorschrijven een aardlekschakelaar van tenminste 100 mA. Zie hiervoor de installatiehandleiding van de betreffende omvormer.

Een aardlek is niet altijd noodzakelijk. U kunt volstaan met een installatie-automaat maar informeer wel even bij Thyser BV voor welke situaties en omvormers dit geldt.

Overzicht aderdikte en ampere

draad
Groep 1
een of meer
enkele aders in buis

Groep 2
meeraderige kabel (bijv YmVK)

Groep 3
enkele aders vrij in lucht verlegd met tussenruimte > doorsnede
doorsnede stroom zekering stroom zekering stroom zekering
mm A A A A A A
             
2.5 20 16 26 20 32 25
4 25 20 34 25 42 35
6 33 25 44 35 54 50
10 45 35 61 50 73 63

 

Als u VD draad gebruikt van 2,5 qmm, dan is het doorgaans geen probleem om dit in een bestaande electriciteitsbuis van 19 mm te trekken. Gebruik bijv. siliconenspray als het trekken van de draden moeilijk gaat. Geen zeep !

Wordt de bedrading dikker, bijv 4 qmm, dan is de kans groot dat het niet lukt in een buis van 19 mm, zeker als er in de leiding bochten voorkomen. In zo’n geval moet u overwegen om YmVK(-as) kabel te gebruiken, verkrijgbaar in diverse draaddikten.

Als u binnenshuis geen YmVK kabel kunt aanleggen dan kunt u overwegen om in de meterkast een gat te boren naar de kruipruimte en via de kruipruimte naar de voor- of achtertuin waar u langs de gevel (bijv naast of achter de regenpijp) naar de kamer gaat waar de omvormer komt te hangen.

Ik heb ook wel eens gehoord dat ondergronds in de regenpijp een gaatje wordt geboord en de kabel via de regenpijp uit het zicht wordt weggewerkt. Zorg wel dat geboorde gaten in de regenpijp goed worden afdicht.

In de kruipruimte moet u proberen de kabel bij voorkeur niet op de bodem te leggen maar op een rioolbuis of iets anders. Ga onder de fundering door als er geen gat aanwezig is er houd rekening met het zakken van de bodem (neem dus enkele tientallen cm kabel extra voordat u bovengronds verder gaat) .

Plaats de YmVK kabel bovengronds in een slagvaste electriciteitsbuis en bevestig deze op diverse plekken op de muur. Ik zoek altijd de regenpijp op (meestal op de erfgrens) omdat een electriciteitspijp dan het minst opvalt.

Het gat dat u moet boren om binnen te komen, boort u eerst van binnenuit met een dunne boor vanwege de percieze plek van de doorvoer en wel schuin naar beneden voor het eventuele regenwater. Daarna gebruikt u een boor met een iets grotere diameter als de YmVk kabel (zelf boor ik vervolgens van buiten naar binnen). Let op het breken van bijv de baksteen bij boren, vooral als u de machine op kloppen heeft staan.

Gaten in de muur altijd dichtmaken met water- en vorstbestendige kit.

Aansluiten van de omvormer conform de bijgeleverde installatiehandleiding

 

DC

Een zonnepaneel heeft aan de achterzijde twee draden van 1 meter met aan elke draad een MC 4 stekker (plus en min). Met deze lengte kunt u een ander paneel koppelen, die ook twee draden van een meter heeft. Loshangende kabels bij voorkeur met een tyrib vastmaken aan het aluminium draagsysteem eronder (denk aan harde wind waardoor u hier last van kan ondervinden in de woning). Als u twee of meer rijen heeft, zou u mogelijk een verlengkabel moeten maken (met aan de ene zijde een + en aan de andere zijde een – stekker) als de draden van het paneel te kort zijn om te koppelen aan een andere rij (vooral het geval bij een plat dak opstelling).

Bepaal de plaats waar u door het dak wilt gaan (zo dicht mogelijk waar de omvormer komt te hangen). Bij een pannendak is dit geen probleem en hier boort u een gat onder de dakpan, iets groter dan de diameter van de door te voeren kabels. Gebruik een stukje electriciteitsbuis om het gat open te houden als de isolatie in de weg zit bij het doorvoeren. Bij een plat dak zoekt u een ontluchtingspijpje (niet van de CV ketel of de centrale afzuiging!). Is er geen doorvoer aanwezig, ga dan buitenom. Werk de kabels weg in een flexibele electriciteitsbuis. Maak bij voorkeur geen gat in het dak!

Bij een plat dak moet de bekabeling niet los komen te liggen op het dak. Laat de bekabeling door een electriciteitsbuis lopen en bevestig deze buis in een bijbehorende zadel op een vierkant tuintegeltje, zodat de bedrading niet in water ligt of komt te liggen. Bij grotere (buis)afstanden gebruikt u meerdere van deze tuintegeltjes.

Aan de achterzijde van de zonnepanelen zijn de draden van het type MC 4. Ivm met de flexibiliteit is de kern niet vast maar bestaat die uit vele dunnere kabels met een speciale mantel, samen 4 mm dik. Om te verlengen gebruikt u dezefde soort kabel, los te koop met de bijbehorende stekkers. Dikkere bekabeling dan MC 4 is in residentiele omgeving doorgaans niet nodig, alleen als de afstand tot de omvormer erg groot is (pas bij vele tientallen meters) of door de stroomsterkte van het aantal zonnepanelen. Bij het bestellen van een zonnepanelen doe het zelf pakket, houdt Thyser BV rekening met wat u nodig heeft.

 

Delen met anderen....Share on TumblrTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInEmail this to someonePrint this pagePin on Pinterest